Dagschotel

antonio-scheltema-cr
De kat is hetzelfde, de kachel in het midden van het café is hetzelfde, de stoelen, tafels en het meisje dat ons bedient is hetzelfde en ze weet ook al dat ik tonic wil. Maar er is iets anders en ik zie het meteen als ik naar ons favoriete tafeltje loop. Diep achter de bar, in de keuken, staat een andere man te koken. Ik let er op omdat het vorige keer ook al zo was en ik toen nog vage hoop had dat het eenmalig was, maar het is nu een maand later en hij staat er nog steeds.

Hoe ouder jij, hoe jonger ik

Het is nu je zo oud bent geworden, zo oud, zo oud, dat het lijkt alsof je elke oude vrouw zou kunnen zijn. Ingevallen wangen, haren iets te lang, mond zonder tanden en je handen: de dunne, zachte huid over lange, dunne vingers. Schijnbaar niet veel meer dan botten, huid en donkere aderen net onder de oppervlakte. Mijn hand zo jong in de jouwe terwijl je slaapt, de hele nacht, de hele dag. Even gaan je ogen open, zie je me, glimlach je en dan zie ik jou: Dit is niet elke oude vrouw, die glimlach dat is enkel jij.

Herons in Amsterdam

I watch the old lady with her walker. She’s all in black, walking alongside a tall, older gentleman also all in black. They have something distinguished about them. They’re slowly walking towards me, the lady focused on her walking, the gentleman looking around as if everything is new to him. I push myself into the bushes so they can pass me on the small sidewalk and shyly, I greet them. The man’s eyes cross mine and he turns to the lady. “Another one,” he tells her, as if this is unexpected. Behind them I see a heron stalking the waterside.

Op avontuur

We stappen uit de taxi en hij wankelt een beetje. “Het is die kant op, dat is de kade,” zeg ik. Hij knikt en samen gaan we op zoek naar het restaurant waar we gereserveerd hebben. Ik hoop dat het dichtbij is. Wij zijn afgezet bij de brug van het Westergasterrein dat het dichtst bij het centrum ligt en naarmate we verder lopen realiseren we ons dat we beter drie bruggen verder hadden kunnen uitstappen, bij de sluisjes van de reigers. Als we over de smalle planken lopen, vindt hij alleen die sluisjes al de moeite van het komen waard.

Spookrijden


Op de Jan Eef stap ik in bus 18 richting Slotervaart. Het is druk op straat, auto’s staan dubbel geparkeerd en degenen die er langs willen, staan in een lange file op de trambaan voor ons. De buschauffeur geeft gas, wijkt uit naar de trambaan naast ons en racet tot aan het Mercatorplein. Als we eindelijk weer op onze eigen weghelft zijn, mijn hart in mijn keel, schept hij bij de bushalte al toeterend bijna een oude vrouw die wat wankel aan de stoeprand staat. Piepend komt hij tot stilstand en als de deuren opengaan, stapt ze vriendelijk glimlachend in.

Op de hoek met de Jansstraat

De vrouw hangt in het raam op de eerste verdieping en kijkt met een vredige blik uit over de mensen die beneden langslopen. Ze lijkt begin zeventig en heeft haar kleurloos haar met speldjes in grote ringen opgestoken. Ik wacht terwijl de vriendin met wie ik door Haarlem loop een foto maakt van een deur. “Kijk die vrouw,” zeg ik als ze klaar is, “ze is mooi”. Samen kijken we hoe de vrouw naar de mensen kijkt- tot ze ons ziet. Ze staat in één keer rechtop, ogen groot. “Duitsers!” roept ze naar ons, en trekt resoluut het gordijn dicht.

Ja graag!

Foto van bloesem
Het is vrijdagmiddag en zonnig, ik fiets ontspannen en in gedachten naar huis. Voor mij loopt een jongen van een jaar of veertien met korte donkere krulletjes naast een jonger meisje met lange donkere krullen over de stoep. Ik denk broer en zus. Hij kijkt om en ziet mij, loopt langzaam achteruit verder, terwijl hij met ondeugende blik zijn vuist uithoudt naar mij. Ik kijk er naar. Het duurt even voor ik door heb waar hij op hoopt, maar als ik bij hem ben duw ik mijn vuist tegen de zijne en glimlach terug. Hij kijkt naar zijn zusje: gelukt!

Plaatsing is alles

Gisteren fietste een vrouw door de Kinkerstraat in een groene jurk met rode bloemen. Het was zonnig en warm, haar jurk wapperde rond haar benen en haar donkere lange haar stroomde in de wind. Op haar schouders zat een groen met rode tropische vogel te kletsen en te schreeuwen. Het zag eruit alsof hij het naar zijn zin had en de vrouw, fier rechtop, leek trots op haar vogelvriend. De dag ervoor passeerde ik op dezelfde plaats een vrouw in een vrolijk gekleurde jurk met een deinende bos krullen op een fiets die drie keer zoveel bloem als fiets was.

Niet gewend

Het is niet zo vroeg dat het nog winterdonker is, maar wel zo vroeg dat de zon maar net over de bomen van de Lijnbaansgracht schijnt. In volle vaart fiets ik de Bloemgracht op, vlieg net niet uit de bocht, en het voelt alsof de wind in mijn rug me lichter over de steentjes hobbelt. Met een harde kreet duikt een reiger naar beneden tot hij naast me over het water vliegt. Vlak voor de brug van de Prinsengracht trekt hij iets op en landt dan soepel op het dak van een woonboot terwijl ik verder vlieg, de hoek om.

Wachten voor de brug

De waarschuwing klinkt dat de brug opengaat en ik probeer nog snel langs twee gezellig keuvelende fietsers te glippen, maar strand toch achter het slome stel aan de verkeerde kant van de slagbomen. De zon schijnt en ik leun mezelf met fiets en al tegen de brugleuning zodat ik kan kijken. Het is één vrachtschip, zwaar geladen en laag in het water. Naast mij verzamelen zich steeds meer fietsers die straks als eerste onder de slagbomen door willen. Ik kijk naar de onderkant van de brug terwijl het schip traag onderlangs glijdt, een paar duiven scharrelen in de groengeverfde I-profielen.